Etty Hillesum

Onderzoeks centrum

BIOGRAFIE

ETTY HILLESUM (1914-1943)
etty_tekening (1)Esther (Etty) Hillesum werd op 15 januari 1914 in haar ouderlijk huis, Molenwater 77, te Middelburg geboren. Haar vader Levie (Louis) Hillesum was daar sinds 1911 werkzaam als leraar klassieke talen. Op 7 december 1912 was hij in Amsterdam getrouwd met haar moeder Riva (Rebecca) Bernstein, die zich toen ook in Middelburg vestigde. Haar vader was op 25 mei 1880 in Amsterdam geboren als jongste van de vier kinderen van de koopman Jacob Samuel Hillesum en zijn echtgenote Esther Hillesum-Loeza. Etty is dus naar haar grootmoeder van vaderszijde vernoemd. De familie woonde toen in de Sint Antoniesbreestraat 31.

Louis Hillesum studeerde na de middelbare school klassieke talen aan de Universiteit van Amsterdam. In 1902 deed hij zijn kandidaats- en in 1905 zijn doctoraalexamen (allebei cum laude). Op 10 juli 1908 promoveerde hij op het proefschrift De imperfecti et aoristi usu Thucydidis (eveneens cum laude). ‘Middelburg’ was zijn eerste aanstelling als leraar. In 1914 werd hij leraar klassieke talen op het Hilversumse gymnasium, maar door doofheid aan één oor en een gebrekkig gezichtsvermogen kreeg hij ordeproblemen met de grote klassen daar. Daarom ging hij in 1916 naar het kleinere gymnasium in Tiel. In 1918 werd hij leraar klassieke talen en conrector in Winschoten. In 1924 werd hij in dezelfde functies aan het gymnasium te Deventer aangesteld, waarvan hij op 1 februari 1928 de rector werd. Deze functie heeft hij bekleed, totdat hij op 29 november 1940 hiervan op verlangen van de bezettende overheid werd ontheven.Papa (1)

Louis Hillesum wordt beschreven als een kleine, stille en teruggetrokken man, een stoïcijnse kamergeleerde vol humor en eruditie. In lagere klassen had hij door zijn lichamelijke gebreken aanvankelijk ordeproblemen gehad en was als reactie daarop als leraar zeer streng gaan optreden. In de hogere klassen kwam hij meer tot zijn recht. Hoewel hij voor het Jodendom belangstelling had, was Louis Hillesum sterk geassimileerd: hij werkte bijvoorbeeld op zaterdag. In Deventer behoorde hij tot de notabelen en ook in kamp Westerbork behield hij deze contacten en zijn culturele interesse.
moeder (1)Zijn vrouw Riva was op 23 juni 1881 in Potsjeb (Rusland) geboren als dochter van Michael Bernstein en Hinde Lipowsky. Na een pogrom kwam zij als eerste van de familie op 18 februari 1907 uit Soerasj (Tsjernigol) naar Amsterdam. Zij trok in bij de familie Montagnu in de Tweede Jan Steenstraat 21. Als beroep werd door haar opgegeven: lerares in de Russische taal. Op 29 mei van dat jaar volgde haar jongere broer Jacob, die diamantbewerker was en die ook bij de familie Montagnu introk. Op 10 juni van datzelfde jaar kwamen haar ouders ook uit Soerasj in Amsterdam aan. Zij vestigden zich op de tweede verdieping van het pand aan de Tweede Jan Steenstraat. Jacob trouwde op 9 januari 1913 met Marie Mirkin, die op 5 mei 1913 uit Warschau naar Amsterdam kwam. Hun dochter Rahel Sarra werd op 19 oktober van dat jaar geboren. Kort daarna is de gehele familie clandestien naar de Verenigde Staten geëmigreerd; alleen Riva bleef achter bij Louis Hillesum, met wie zij immers sinds 7 december 1912 getrouwd was.
family_2 (1)Riva Hillesum-Bernstein wordt gekenschetst als druk, chaotisch, extravert en dominant. Etty had aanvankelijk een moeilijke verhouding tot haar moeder, maar in kamp Westerbork schijnt de relatie te zijn verbeterd. Behalve Etty kreeg Riva Hillesum nog twee kinderen: Jacob (Jaap), geboren te Hilversum op 27 januari 1916 en vernoemd naar Louis’ vader, en Michael (Mischa), geboren te Winschoten op 22 september 1920 en vernoemd naar Riva’s vader.
Etty_en_Jaap (1)Jaap Hillesum voltooide zijn gymnasiumopleiding in 1933. Hij ging medicijnen studeren, eerst aan de Universiteit van Amsterdam en daarna in Leiden. Hij was intelligent, schreef gedichten en was aantrekkelijk voor vrouwen. Geestelijk was hij labiel; hij werd een aantal malen opgenomen in een psychiatrische inrichting. Tijdens de oorlog werkte hij als coassistent in het Nederlandsch-Israëlietisch ziekenhuis in Amsterdam.Mischa (1)

Mischa Hillesum werd op 22 september 1920 in Winschoten geboren. Reeds als kind toonde hij een bijzondere, muzikale begaafdheid. In 1931 verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij drie klassen op het Vossiusgymnasium heeft doorlopen en zich verder aan de pianostudie wijdde. Zijn leermeester was George van Renesse. Omstreeks 1939 werd hij inde Joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch opgenomen en behandeld voor schizofrenie. Ook na zijn ontslag uit deze inrichting bleef hij geestelijk zeer labiel.

Haar jeugdjaren bracht Etty Hillesum door in Middelburg, Hilversum (1914-1916), Tiel (1916-1918), Winschoten (1918-1924), en vanaf juli 1924 in Deventer, waar zij in de vijfde klas van de Graaf van Burenschool kwam. De familie woonde toen in de A.J. Duymaer van Twiststraat 51 (thans nr. 2). Later (1933) verhuisde men naar de Geert Grootestraat 9, maar toen woonde Etty Hillesum al niet meer bij haar ouders.

Na de lagere school ging Etty Hillesum in 1926 naar het gymnasium te Deventer, waar haar vader toen conrector was. Haar schoolresultaten zijn niet opvallend, in tegenstelling tot die van haar jongere broer Jaap, die een zeer goede leerling was. Op school volgde zij ook Hebreeuws en zij bezocht een tijd lang bijeenkomsten van een zionistisch jeugdgroepje in Deventer.

Na haar eindexamen gymnasium alfa ging zij in 1932 rechten studeren in Amsterdam. Zij ging op kamers wonen bij de familie Horowitz, Ruysdaelstraat 32, waar haar broer Mischa reeds sinds juli 1931 was ingetrokken. Na een half jaar verhuisde zij naar Apollolaan 29, waar in september 1933 haar broer Jaap ook was komen wonen, toen hij medicijnen ging studeren. In november verhuisde Jaap naar de Jan Willem Brouwersstraat 22hs; zij volgde hem een maand later. Vanaf september 1934 staat Etty Hillesum weer in Deventer ingeschreven. Op 6 juni 1935 deed zij aan de Universiteit van Amsterdam haar kandidaatsexamen rechten. Zij woonde toen samen met haar broer Jaap op Keizersgracht 612c.
Han (1)In maart 1937 trok zij bij de accountant Hendrik (Han) J. Wegerif in, die woonde in de Gabriël Metsustraat 6, een adres waar haar broer Jaap van oktober 1936 tot september 1937 eveneens stond ingeschreven. De weduwnaar Wegerif stelde Etty Hillesum aan om de huishouding voor hem te voeren. Maar hij kreeg ook een verhouding met haar, waardoor de verhouding met zijn inwonende zoon Hans gespannen werd. In dit haar zo dierbare huis met zijn zo verschillende bewoners heeft Etty Hillesum gewoond tot haar definitieve vertrek naar Westerbork in juni 1943.

In haar studententijd verkeerde Etty Hillesum in een links, antifascistisch studentenmilieu en was politiek en sociaal geïnteresseerd zonder lid van een politieke partij te zijn. Haar bekenden uit deze periode hebben zich verbaasd over haar geestelijke ontwikkeling in de oorlogsjaren, waardoor zij een duidelijk andere belangstelling en vriendenkring kreeg, al behield zij een aantal van haar vooroorlogse contacten. Op 23 juni en 4 juli 1939 legde zij het doctoraalexamen Nederlandse Rechten (publiekrechtelijke richting) af. Haar studieresultaten zijn weinig opvallend.

Daarnaast heeft Etty Hillesum ook Slavische talen in Amsterdam en Leiden gestudeerd, maar door de oorlogsomstandigheden heeft zij deze studie niet met een examen kunnen afsluiten. Wel is zij tot het eind toe met het bestuderen van de Russische taal en literatuur doorgegaan en heeft zij ook les gegeven. Zij verzorgde een cursus Russisch voor de Amsterdamse Volksuniversiteit en later gaf zij privé-lessen tot haar definitieve vertrek naar kamp Westerbork. Toen zij naar Auschwitz werd gedeporteerd, zat in haar rugzak een bijbel en een Russische grammatica.

De dagboeken, waardoor Etty Hillesum wereldbekend is geworden, zijn merendeels geschreven in haar kamer aan de Gabriël Metsustraat, waar niet alleen zij en Han Wegerif maar ook diens zoon Hans, huishoudster Käthe Fransen en een chemiestudent, Bernard Meylink genaamd, woonden. Via deze Bernard ging zij op maandag 3 februari 1941 als ‘object’ naar de psychochiroloog Julius Spier in de Courbetstraat 27 te Amsterdam.Spier (1)

Spier (in de dagboeken vrijwel altijd met ‘S.’ aangeduid) was in 1887 in Duitsland in Frankfort aan de Main geboren als voorlaatste van zeven kinderen. Op zijn veertiende jaar werd hij leerling bij de handelsfirma Beer Sondheimer & Co. Hij wist zich daar van jongste bediende op te werken tot een leidinggevende positie. Zijn aanvankelijke ambitie om zanger te worden werd doorkruist door een ziekte, waardoor hij hardhorend werd. Spier verkeerde graag in kunstenaarskringen en richtte een eigen uitgeverij op, die hij ‘Iris’ noemde. Daarnaast had hij sinds 1904 een sterke belangstelling voor chirologie (handleeskunde). Na zijn 25-jarige jubileum bij Beer Sondheimer in 1927 trok Spier zich terug uit het zakenleven om zich geheel aan de studie van de chirologie te kunnen wijden. Hij volgde een leeranalyse bij Carl Gustav Jung in Zürich en op diens aanraden opende hij in 1929 een praktijk als psychochiroloog in Berlijn. Deze praktijk was zeer succesvol. Ook gaf hij cursussen. In 1935 scheidde hij van zijn vrouw Hedl (Hedwig) Rocco, met wie hij in 1917 getrouwd was, en liet haar de twee kinderen Ruth en Wolfgang. Hij huurde twee kamers in de Aschaffenburgerstrasse in Berlijn. Hij had verschillende verhoudingen, maar verloofde zich met zijn leerlinge Hertha Levi, die in 1937 of 1938 naar Londen emigreerde.

Ook Spier verliet nazi-Duitsland en kwam begin 1939 op legale wijze naar Nederland. Na eerst bij zijn zuster op het Muzenplein en in een kamer in de Scheldestraat te hebben gewoond, huurde hij vanaf eind 1940 twee kamers bij de familie Nethe in de Courbetstraat 27 in Amsterdam. Daar hield hij ook praktijk en gaf hij cursussen. Voor zo’n cursus werden door de cursisten en hun aanhang proefpersonen uitgenodigd, wier handen Spier bij wijze van voorbeeld analyseerde.

Gera Bongers, de zuster van Bernards verloofde Loes, was één van de cursisten en via Bernard werd Etty Hillesum uitgenodigd om ook tijdens een maandagavondzitting haar handen door Spier te laten analyseren. Deze vrij toevallige ontmoeting is bepalend gebleken voor het verdere verloop van Etty Hillesums leven. Zij was meteen bijzonder onder de indruk van Spiers persoonlijkheid en besloot bij hem in therapie te gaan. In een cahier tekende zij op 8 maart 1941 het ontwerp van een brief aan Spier op.

De volgende dag begon zij haar dagboek, waarschijnlijk op aanraden van Spier en als onderdeel van zijn therapie. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de relatie met Spier een zeer belangrijk thema in haar dagboeken blijkt te zijn. Het bijhouden van een dagboek had voor Etty Hillesum niet alleen zin als onderdeel van haar therapie; het paste ook goed bij haar literaire ambities. Zij wilde schrijfster worden en de dagboeken zouden later materiaal kunnen leveren voor bijvoorbeeld een roman. Het is in dit verband opvallend dat zij in sommige van haar brieven ook uit haar dagboeken citeert. Bovendien probeerde zij via het schrijven in haar dagboeken een literaire vorm te vinden om haar gedachten en gevoelens vast te leggen. Een taak die haar vaak zwaar viel, hoewel haar schrijfstijl zich geleidelijk aan steeds meer ontwikkelde.

Hoewel zijn patiënt, werd Etty Hillesum ook Spiers voornaamste secretaresse en vriendin. Omdat hij Hertha Levi trouw wilde blijven, en Etty Hillesum al een relatie met Han Wegerif had, is er steeds een zekere afstand gebleven in de verhouding tussen Spier en Etty, hoe belangrijk die ook voor hen beiden was. Maar op haar geestelijke ontwikkeling heeft Spier een zeer grote invloed gehad. Hij heeft haar geleerd om te gaan met haar aangeboren chaotische en egocentrische inslag en hij heeft haar in contact gebracht met de Bijbel en de kerkvader Augustinus. Andere auteurs zoals Rilke en Dostojewski las Etty reeds sinds de jaren dertig, maar onder de invloed van Spier kreeg ook het werk van deze schrijvers voor haar een diepere betekenis. Op den duur kwam de relatie met Spier echter minder centraal in Etty Hillesums leven te staan. Toen Spier op 15 september 1942 in Amsterdam stierf, had Etty Hillesum zich inmiddels zo ontwikkeld dat zij zijn dood goed kon verwerken – zeker ook omdat zij besefte welk lot hem als Jood zou hebben gewacht, als hij niet aan zijn ziekte was overleden.

In de dagboeken is duidelijk merkbaar hoe de anti-joodse maatregelen van de bezetter ook het leven van Etty Hillesum steeds meer gingen bepalen, ook al had zij zich voorgenomen om de lijn van haar eigen geestelijke ontwikkeling te blijven volgen, ongeacht wat haar zou gebeuren. Toen zij een oproep voor het kamp Westerbork verwachtte, heeft zij op aanraden van haar broer Jaap gesolliciteerd naar een post bij de Joodsche Raad. Door protectie kreeg zij op 15 juli 1942 een aanstelling bij het kantoor Lijnbaansgracht in Amsterdam (later Oude Schans). Het administratieve werk bij de Joodsche Raad deed zij met tegenzin en over de rol van de Joodsche Raad had zij een negatief oordeel. Wel zinvol vond zij het werk dat zij in Westerbork te doen kreeg bij de afdeling ‘Sociale verzorging doortrekkenden’, waarheen zij per 30 juli 1942 op haar verzoek werd overgeplaatst.
Daar leerde zij Joseph (Jopie) I. Vleeschhouwer, Philip Mechanicus en M. Osias Kormann kennen, de mannen die nu een grote rol in haar leven gingen spelen. Lang heeft haar eerste verblijf in kamp Westerbork niet geduurd: op 14 augustus 1942 was zij weer terug in Amsterdam. Vandaar ging zij op 19 augustus nog eenmaal naar haar ouders in Deventer. Omstreeks 21 augustus keerde zij in Westerbork terug. Begin september 1942 verbleef zij opnieuw in Amsterdam. Op 20 november ging zij weer naar kamp Westerbork, maar wegens ziekte kwam zij al op 5 december 1942 terug. Het duurde tot 5 juni 1943, voordat zij weer zover hersteld was dat zij naar Westerbork terug mocht. Want in tegenstelling tot wat men zou verwachten, wilde Etty Hillesum graag naar het kamp terug om haar werk daar te hervatten en de mensen bij te staan, wanneer zij zich voor transport moesten voorbereiden. Om deze reden heeft Etty Hillesum steeds aanbiedingen om onder te duiken van de hand gewezen. Zij zei dat zij het lot van haar volk wilde delen.
Westerbork_1 (1)Het vertrek uit Amsterdam op 6 juni 1943 zou definitief blijken, want op 5 juli kwam een eind aan de bijzondere status voor de medewerkers van de Joodsche Raad afdeling Westerbork, waarna deze voor de helft naar Amsterdam terug moesten en voor de andere helft gewone kampbewoners werden. Etty behoorde tot de laatste groep; zij wilde bij haar vader, moeder en broer Mischa blijven, die inmiddels ook naar kamp Westerbork waren gevoerd.

De ouders Hillesum waren op 7 januari 1943 vanuit Deventer naar de Retiefstraat 11hs in Amsterdam verhuisd, nadat zij eerst via doktersattesten aan het gedwongen vertrek uit hun woonplaats hadden proberen te ontkomen. Bij de grote razzia in Amsterdam op 20 en 21 juni 1943 werden zij samen met Mischa, die bij hen was komen wonen, opgepakt en naar kamp Westerbork gevoerd. Men was toen al bezig om voor Mischa een uitzonderingspositie te creëren op grond van zijn muzikale begaafdheid. Het waren vooral de zusters Milli Ortmann en Grete Wendelgelst die zich hiervoor inzetten. Zowel Willem Mengelberg als Willem Andriessen schreven aanbevelingsbrieven, die bewaard zijn gebleven. Deze pogingen liepen op niets uit, omdat Mischa erop stond dat ook zijn ouders hem naar het kamp Barneveld zouden vergezellen, waar Joden met een bijzondere status waren geïnterneerd. Dit werd niet toegestaan; wel kreeg Mischa Hillesum in het kamp Westerbork enkele privileges.
war (1)Toen moeder Hillesum een brief aan het hoofd van de SS in Nederland Hans Rauter schreef, waarin zij ook om enkele privileges vroeg, ontstak deze in woede en gaf op 6 september 1943 als represaille voor deze brutaliteit het bevel om de gehele familie onmiddellijk op transport te stellen. De kampcommandant van Westerbork Gemmeker vatte dit bevel zo op dat ook Etty mee moest met het transport van de volgende dag, ondanks de pogingen van haar relaties in het kamp om haar hiervan te vrijwaren. Rauter had immers bevolen om de familie Hillesum als geheel te deporteren. Zo ging de hele familie Hillesum mee met het transport van 7 september 1943.
Alleen Jaap Hillesum werd niet meegevoerd, omdat hij zich op dat ogenblik nog in Amsterdam bevond. Hij kwam korte tijd later, eind september 1943 in kamp Westerbork. In februari 1944 werd hij naar het kamp Bergen-Belsen in Noord-Duitsland gedeporteerd. Toen dat kamp door de nazi’s gedeeltelijk werd ontruimd, kwam hij in een trein met gevangenen terecht, die na een zwerftocht vol ontberingen in april 1945 door Russische soldaten werden bevrijd. Deze verschrikkelijke tocht heeft Jaap Hillesum echter – evenals vele andere gevangenen – niet overleefd.
De ouders Hillesum zijn óf tijdens het transport omgekomen, óf – wat waarschijnlijker is – onmiddellijk na aankomst in Auschwitz-Birkenau vergast. Als sterfdatum wordt 10 september 1943 opgegeven. Volgens het Rode Kruis zou Mischa op 31 maart 1944 in Auschwitz zijn omgekomen. Etty Hillesum was toen al dood. Volgens het Rode Kruis stierf zij op 30 november 1943, negenentwintig jaar jong.

Tekst: Klaas A.D. Smelik