Etty Hillesum

Onderzoeks centrum

DE STEM VAN HET BOEK

DRIEMAANDELIJKS                                                                                                                                            BIBLIOGRAFISCH
TIJDSCHRIFT VOOR
THEOLOGIE EN CULTUUR                                                                                                                                                  27e JAARGANG 2016, NUMMER 4, DECEMBER 2016

Ken u zelve en word wie gij zijt

Etty Hillesum en Philip Mechanicus in confrontatie met het Joodse vraagstuk  door Julie Benschop-Plokker

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1944, verscheen de studie Réflexions sur la question juive [Reflecties op het Joodse vraagstuk]. De auteur, Jean-Paul Sartre, buigt zich hierin over het vraagstuk van de Joodse identiteit binnen de Franse samenleving. Dat wil zeggen: Sartre laat zien dat dit zogenaamde Joodse vraagstuk, dat de civiele, juridische, nationale en politieke status van Joden als minderheid in de samenleving behelst, in feite een non-vraagstuk is. Het wordt namelijk uitsluitend tot een kwestie gemaakt door het antisemitisme. Is er geen antisemitisme, dan is er ook geen Joods vraagstuk. Een terechtwijzing door Sartre die ook in de huidige problematiserende omgang met minderheden op zijn plaats zou zijn.

Hoe dit mechanisme, waarbij niet-Joden de Joodse identiteit tot vraagstuk maken, in individuele levens ingrijpt, laten de dagboeken en brieven van de Joods-Nederlandse schrijfster Etty Hillesum (1914-1943) op indringende wijze zien. Etty Hillesum was in de periode vóór de Tweede Wereldoorlog student rechten en Slavische talen en zij bewoog zich in haar woonplaats Amsterdam in een links, antifascistisch studentenmilieu. Zij was politiek en sociaal geïnteresseerd maar zij was geen lid van een politieke partij. Het Joodse vraagstuk was geen onderwerp waarmee zij zich erg bezighield, ook al was haar moeder als jonge vrouw uit Rusland gevlucht vanwege de onmogelijke situatie voor Joden aldaar.

De Duitse bezetting zorgde er echter voor dat Etty Hillesum haar aandacht moest verleggen. Haar vader, dr. Louis Hillesum, werd in november 1940 vanwege zijn Joodse afkomst als rector van het gymnasium in Deventer ontslagen. Ook op andere terreinen werd Etty Hillesum op niet langer te negeren wijze geconfronteerd met anti-Joodse maatregelen. Zo nam het Joodse vraagstuk langzaam gestalte aan in haar leven en was zij wel genoodzaakt zich hiertoe te verhouden.

Etty Hillesum in weerwil van het Joodse vraagstuk

De vraag hoe zij positie koos en wat dit voor haar persoonlijke ontwikkeling betekende, staat centraal in een buitengewoon boeiend boek over dit onderwerp, dat afgelopen maand verscheen onder de titel: Etty Hillesum in weerwil van het Joodse vraagstuk. Het boek is het achtste deel in de reeks Etty Hillesum Studies, een uitgave van het Etty Hillesum Onderzoekscentrum in Middelburg onder redactie van prof. dr. Klaas A.D. Smelik. Afgelopen 30 november, Hillesums veronderstelde sterfdag, werd het onder grote belangstelling gepresenteerd in het Zeeuws Archief in Middelburg, waar ook het Etty Hillesum Onderzoekscentrum is gevestigd.

In de bundel laten de auteurs, gerenommeerde kenners van Hillesums werk, vanuit heel diverse invalshoeken zien hoe Etty Hillesum zich door de bejegening en maatregelen van de bezetter pas werkelijk bewust werd van het bestaan van zoiets als het Joodse vraagstuk, en daarmee van haar eigen (Joodse) identiteit. Steeds komt daarbij naar voren hoe deze bewustwording haar ertoe aanzette zich tot dit vraagstuk en (de haar opgelegde) identiteit te verhouden, en vooral ook hoe zij dit deed: door haar eigen koers te varen. Vrij van het stempel dat de bezetter haar wilde opdrukken, met alle gevolgen van dien, maar tegelijkertijd juist ook daardoor gedreven en bepaald.

Enerzijds leidde Etty Hillesum haar leven in weerwil van dat Joodse vraagstuk, in de zin dat zij zich vrij en autonoom opstelde, zichzelf niet tot vraagstuk liet maken. Tegelijkertijd zou je kunnen zeggen dat in alle facetten duidelijk kon worden wie zij ten diepste was, juist door de confrontatie met dit Joodse vraagstuk en de manier waarop de nazi’s dit met hun beperkende en vernietigende maatregelen dachten ‘op te lossen’. In de hogedrukpan van deze niet-zelfverkozen omstandigheden ontplooide zich haar unieke identiteit, zoals een diamant zich ontwikkelt in de hitte en grote druk van de aarde. Zij leerde zichzelf kennen en werd wie zij was: een onafhankelijke geest, niet gebonden door geloof of politieke overtuiging, die als Joodse vrouw solidair wilde zijn met haar eigen volk.

Authentiek en autonoom

Sartre stelde dat de niet-authentieke Jood het gevaar loopt om – juist wanneer hij zich probeert te onttrekken aan de clichébeelden die de antisemiet van hem heeft – sommige van die beelden te belichamen. Hier bewees Hillesum echter haar volkomen authenticiteit. Zij koos een plek voor zichzelf als mens en Joodse vrouw, en ontwikkelde zich tot een autonoom individu. De weerslag van deze bijzondere ontwikkeling vinden we in haar dagboeken en brieven, die mede daardoor een bijzondere plaats innemen binnen de Nederlands-Joodse getuigenissen van de Sjoa. Klaas Smelik schreef hierover: ‘Ze bieden niet alleen een indringende sfeertekening van kamp Westerbork, maar ze weerspiegelen ook Hillesums zoektocht, naar het wezen van zichzelf, van de wereld en van wat zij God leerde noemen. Sinds de eerste publicatie van een bloemlezing in 1981 onder de titel Het verstoorde leven zijn haar nagelaten geschriften in 17 talen vertaald en hebben ze wereldwijd de aandacht getrokken. Haar gedachten hebben honderdduizenden lezers geïnspireerd. Ook nieuwe generaties voelen zich door haar dagboekaantekeningen aangesproken.’

Een van die aansprekende kenmerken van Hillesums denkwereld is bijvoorbeeld dat zij in weerwil van, of misschien juist aangezet door de confrontatie met de vijand, steeds wilde leven en denken vanuit liefde en haat geen kans wilde geven. Op 15 maart 1941 noteerde zij in haar dagboek: ‘En al zou er nog maar één fatsoenlijke Duitser bestaan, dan zou die het waard zijn in bescherming genomen te worden tegen de hele barbaarse bende en om die éne fatsoenlijke Duitser zou men dan niet zijn haat mogen uitgieten over een geheel volk.’ En op 29 mei 1942: ‘Aan deze wereld, die zo vol dissonanten is, zou men niet de kleinste dissonant mogen toevoegen.’

Hoe wezensvreemd is zo’n levenshouding voor de antisemiet, die er volgens Sartre voor kiest antisemiet te zijn. Een keuze die samenvalt met de keuze te leven vanuit één overheersend gevoel: de haat.

Een ander aspect van Hillesums denken dat van blijvende waarde is en in de bundel naar voren wordt gehaald, is dat zij getuigde van de grote moed om haar leven niet door de omstandigheden van vervolging en uitsluiting te laten bepalen. Zij laat keer op keer zien dat je weliswaar niet de omstandigheden kunt veranderen, maar dat je wel een keuze (en een verantwoordelijkheid) hebt in de houding die je hiertegenover aanneemt. Zo had zij de overtuiging dat de vernederende maatregelen van de bezetter alleen maar vernederend waren, als de Joden dit zelf toelieten. Hillesum legt deze gedachtegang als volgt uit:

‘Om te vernederen zijn er twee nodig: diegene die vernedert en diegene, die men wil vernederen en vooral: die zich láát vernederen. Ontbreekt de laatste, dus: is de passieve partij immuun voor iedere vernedering, dan verdampen de vernederingen in de lucht.’

Etty Hillesum en de Joodse Raad

Eenzelfde autonome positie vinden we ook in Hillesums visie op de Joodse Raad. Deze was ingesteld om het Joodse vraagstuk te helpen ‘oplossen’.  In zijn bijdrage “‘Dat merkwaardige bemiddelingslichaam’: Etty Hillesum en de Joodse Raad” laat Klaas Smelik zien hoe Etty Hillesum op dringend advies van haar broer Jaap, maar met persoonlijke tegenzin bij de Joodse Raad ging werken. Dat wil zeggen: zij deed dit niet, omdat zij de doelstellingen steunde en ook niet om aan vervolging te ontkomen. Zij noemde het een ‘schijnbaantje’, zoals zij eerder het voornemen had om een schijnhuwelijk met haar vriend Julius Spier aan te gaan om bij hem te kunnen blijven, als hij zou worden gedeporteerd. Schijnbewegingen die een identiteit naar buiten vormden, om zo ruimte te creëren om te kunnen worden wie zij werkelijk was.

Hillesums aanstelling bij de Joodse Raad was dan ook van korte duur, maar vormde wel een slijpsteentje in de ontwikkeling van haar eigen identiteit. Juist omdat zij zich niet liet leiden door angst of eigenbelang, werd in haar confrontatie met een orgaan als dit duidelijk wie zij zelf was en wilde blijven. Zo schrijft zij op 16 juli 1942, in de periode dat zij bij de Joodse Raad werkt: ‘Ik ga toch maar door op mijn manier’. En op 20 juli 1942: ‘Ik blijf mijn eigen levensstijl voortzetten, door alles heen… ik blijf mezelf helemaal trouw en zal niet resigneren of murw worden.’

Philip Mechanicus

De omgang met het Joodse vraagstuk en de eigen identiteit speelden ook een rol voor de Joods-Nederlandse journalist Philip Mechanicus. Doordat hij vanwege zijn Joods-zijn bij de krant werd ontslagen en te maken kreeg met ook andere beperkende maatregelen, gingen deze zaken werkelijk iets betekenen en ontstond er spanning tussen de eigen identiteit en het beeld dat de bezetter van hem als Jood had.

Begin november van dit jaar organiseerde het Etty Hillesum Onderzoekscentrum (EHOC) een aangrijpende voorstelling over deze journalist en schrijver. In een volle zaal van het oude stadhuis van Middelburg verhaalde en bezong de kleindochter van Philip Mechanicus, Elisabeth Oets, zijn leven en ervaringen in kamp Westerbork, waar hij gelijktijdig met de familie Hillesum verbleef, en die hij in zijn dagboek In depot heeft vastgelegd.

In de voorstelling vertelt Oets onder andere hoe Mechanicus weigerde een ster te dragen. Híj had niets verkeerd gedaan en met zo’n maatregel wilde hij zich niet identificeren. Om het ontbreken van het teken van deze opgelegde identiteit werd hij korte tijd later opgepakt en is hij uiteindelijk vernietigd. Als klein meisje kocht Elisabeth Oets van haar zakgeld een kettinkje met een davidster. Trots wilde zij laten zien wie zij was. Maar bij haar moeder overheerste de angst. Zij had liever niet dat haar dochter zich als Joods bekendmaakte.

Men sluit hier vriendschappen, die toereikend zijn voor enige levens tegelijk

Mechanicus leerde Etty Hillesum en haar familie in juni 1943 kennen in kamp Westerbork. Beiden deden in hun dagboek verslag van het leven in het kamp. Mechanicus las Hillesum dagelijks voor wat hij die dag had geschreven. ‘Men sluit hier vriendschappen, die toereikend zijn voor enige levens tegelijk,’ noteerde Etty Hillesum over hun contact. Ook vriendschap ontwikkelt zich dus sneller en sterker onder druk van de omstandigheden.

Mechanicus viel de grote onderlinge liefde in het gezin Hillesum op. Hij beschrijft ‘een aangeboren aristocratisch levensgevoel’, het nobele karakter van de familie Hillesum. Dat was hun identiteit zoals die in kamp Westerbork voor een lotgenoot naar voren kwam.

Wat deed het kamp intussen met de identiteit van Mechanicus? Hij schreef: ‘Ik ben hier milder geworden in dit kamp, alle mensen zijn voor mij gelijk geworden, het zijn allen grashalmen, die buigen onder de storm.’ Behalve de ontwikkeling van wie je zelf in diepste wezen bent, lijkt er dus ook sprake te zijn van een verlies aan individuele identiteit. Ook Etty Hillesum ging zich gaandeweg steeds meer identificeren met haar volk en het Massenschicksal, waaraan ze zich niet wil onttrekken.

Verhaal en identiteit

In weerwil van het brandmerk van de Duitse bezetter, ligt de ware identiteit van Philip Mechanicus en Etty Hillesum, wie zij werkelijk waren, vast in hun nagelaten dagboeken en brieven. Een identiteit die zich door niemand laat opnaaien en die zich ook door niemand laat afnemen.

Als schrijvende geesten demonstreren zij wat Paul Ricoeur in de jaren tachtig van de vorige eeuw uiteen zou zetten in zijn grote werk Temps et récit [De tijd en het verhaal]. Ricoeur laat hierin zien dat onze identiteit ten nauwste samenhangt met onze beleving van tijd. De ervaring van de tijd is essentieel voor mensen. Het verleden en voorstellingen van de toekomst bepalen wie wij zijn. Waar komen wij vandaan en waarheen zijn wij op weg? Om grip te krijgen op de tijd vertellen wij verhalen. Daarin kunnen we het verleden vasthouden en het weer oproepen en kunnen wij verbeeldenderwijs grijpen naar de toekomst. Die verhalen over vroeger en later bepalen wie wij nu zijn.

Hillesum en Mechanicus vertellen de verhalen van verleden en toekomst zo dat ze licht werpen op de werkelijkheid van hun dagen. Mechanicus blijft ook in zijn dagboek journalist, maar Etty Hillesums narratieve en beschouwende kracht gaat verder en maakt haar tot de kroniekschrijfster van haar tijd, die zij wilde zijn.

Besproken werd:

Klaas A.D. Smelik (eindredactie),

Etty Hillesum in weerwil van het Joodse vraagstuk. Etty Hillesum Studies deel 8. Garant 2016. 178 blz. € 23,00 ISBN: 9789044134636

2016-11-30-omslag-ehs-8-smelik-etty-hillesum-in-weerwil-voorplat